Wietske Dijkstra is een bevlogen systeemtherapeut met een groot hart voor mensen die door anderen vaak moeilijk te begrijpen zijn. Ze heeft een optimistische blik, maar ook een diep inzicht in de uitdagingen die onbegrepen gedrag met zich meebrengt. Haar persoonlijke verhaal en professionele inzet laten zien hoe belangrijk het is om met mildheid en medemenselijkheid naar elkaar te kijken, en hoe samenwerking daarin een sleutelrol speelt.
“Ik heb weinig oordeel over mensen en ik ben optimistisch en ondernemend,” aldus Wietske. Daarnaast kan ze op veel mensen wel goed afstemmen. Ook is ze bevlogen voor de doelgroep - mensen met onbegrepen gedrag. Wel kan ze veel twijfelen, maar daarbij merkt ze op dat dit bij haar werk juist goed is. Ze wordt daarom ook niet onzeker van haar onzekerheid. Het gaat wel weer voorbij en het heeft zijn nut wanneer je onderzoekend te werk gaat.
Wietske is systeemtherapeut en zit in de stuurgroep van de Kenniswerkplaats Onbegrepen Gedrag (NHL Stenden). Daarnaast werkt Wietske voor de leernetwerken rondom de kenniswerkplaats als procesbegeleider. Ze heeft ook nog een eigen praktijk ‘WijZijn de praktijk’ waar ze gezinnen en relaties verder helpt.
Toen Wietske jong was wilde ze graag dokter worden. Later twijfelde ze tussen een studie kunstacademie of psychologie. Ze koos toen voor een soort mix en het werd een studie HBO creatieve therapie. Later is ze verder gaan leren voor systeemtherapeut. In haar werk gebruikt ze vooral het hechtingsperspectief en is daarbij bewust van intergenerationele factoren en het belang van de bredere context.
Na de inauguratie van Nynke Boonstra tot lector Zorg en Innovatie in de psychiatrie heeft Wietske contact met Nynke gezocht. Als docent ziet Wietske de mooie kanten van het leven, de groei en de goede gesprekken met de studenten. In haar praktijk “Wij Zijn de praktijk” ziet ze mensen die zelf de hulp kunnen kiezen die ze willen en dit zelf betalen. Ze wilde echter ook iets blijven doen voor de kwetsbare groepen. Vanuit die gedachte is Wietske betrokken bij het onderzoeksproject “Mensen met onbegrepen gedrag”. Daar zijn de leernetwerken rondom onbegrepen gedrag uit voortgekomen. Deze zijn later in de Kenniswerkplaats onbegrepen gedrag ondergebracht.
In de leernetwerken wordt de samenwerking rond een persoon met onbegrepen gedrag onderzocht door met alle betrokken instanties van de domeinen welzijn, zorg en veiligheid om de tafel te gaan, samen met een of twee procesbegeleiders (o.a. Wietske). Een ervaringsdeskundige en familie ervaringsdeskundige nemen hier ook deel aan, om het client- en naastenperspectief zo goed mogelijk te vertegenwoordigen. De manier van werken is beschreven in ‘Aanpak Friese Leernetwerken’ (Boonstra, Dijkstra, Berghuis, & Van Gent, 2019). Daarin is ervoor gekozen in te zetten op samenwerking met direct betrokken professionals zodat de vaardigheden en expertise van professionals worden vergroot.
Een van de vragen kan zijn: “Hoe kan je langdurig present zijn bij weinig ontwikkeling?” Die vraag wordt verkend door je zo goed mogelijk in de persoon met onbegrepen gedrag te verplaatsen. Zo komt een mogelijke hulpvraag naar voren. Je ziet vaak dat mensen met onbegrepen gedrag veel grip verliezen in het hier en nu en ook al veel grip hebben verloren in het leven, door verlies van werk, van belangrijke anderen, van kansen en zo nog veel meer. Daar met mildheid en medemenselijkheid naar kijken en op reageren is belangrijk. In een leernetwerk nemen we de tijd om ons in te leven en de situatie vanuit veel perspectieven te verkennen. Gedrag wat we niet goed begrijpen vraagt het verdragen van onze eigen onmacht en soms kan alleen al door dat samen te dragen iets veranderen. De partijen om de persoon heen gaan samenwerken en leren elkaars taal verstaan. Vandaaruit volgen acties die naderhand worden geëvalueerd. Vaak wordt het rustiger voor de persoon en kan er echt iets veranderen als de partijen om de persoon elkaars steun ervaren in de samenwerking.
Bij onbegrepen gedrag denkt Wietske aan mensen die net over de rand van de samenleving vallen. Andere mensen sluiten deze mensen uit en ze zijn vaak eenzaam. Ze kunnen te maken hebben met heel veel verschillende klachten, teruggetrokken, opstandig, chaotisch etc. Vaak hebben ze verlies en pijn meegemaakt. Daarvan konden ze moeilijker herstellen dan het overgrote deel van de mensen. We moeten leren begrijpen wat het gedrag betekent. Mensen ervaren vaak regieverlies door meer bemoeienis. Dat roept logischerwijze verzet op. Verzet ziet er soms boos of chaotisch uit, maar er zit ook kracht, levenskracht. Wietske heeft geleerd daar anders naar te kijken. Dat heeft ze moeten leren. Ze komt wel uit een gezin met gevoel voor deze groep mensen, maar ze hadden er nog niet zoveel taal voor. Vroeger snapte ze het appèl niet wat er op je wordt gedaan. Nu heeft ze dat inzicht wel. Daarbij heeft ze veel geleerd van samenwerking en gesprekken met collega’s en opleiders. Je kunt kinderen al jong leren anders te kijken vertelt ze. Bijvoorbeeld wanneer er in de stad mensen zich opvallend gedragen, kun je ze vertellen dat die mensen vroeger een klein kindje waren, net zo leuk en grappig als zij. En dat ze een papa en mama hebben.
Mensen vinden verschillen verdragen lastig. Als je elkaar maar nodig hebt, dan wordt dat minder belangrijk. Het kan helpen wanneer er eerder wordt geanticipeerd op school bij mensen die buiten de boot dreigen te vallen. Dit om te zorgen dat ze toch aansluiting blijven houden. Ook door eventueel de ouders te ondersteunen. Dat er mensen zijn met kwetsbaarheden, dat blijft. Ook elkaar blijven tegenkomen en leren kennen helpt volgens Wietske. Ze pleit ervoor dat er geen aparte scholen zijn voor mensen met een kwetsbaarheid. Je hebt elkaar nodig om samen te leven, moeilijke situaties krijgen het beste een goede vorm als je ze samen kunt dragen. Steun ervaren bij moeilijke situaties helpt. Dan lukt het later veel beter om te leven met moeilijke gebeurtenissen of met heel verschillende mensen.
Door de opbrengsten van de kenniswerkplaats te verspreiden komt er meer goede hulp voor mensen met onbegrepen gedrag. Dat is door haarzelf in haar werk als hulpverlener, maar ook door het doorgeven van kennis en vaardigheden aan andere hulpverleners in de leernetwerken. En door het door te geven via scholing, naar het management en via columns in de krant. Het voorleven is ook belangrijk. Door een rolmodel te zijn in de taal die je gebruikt en er wat van te zeggen als er in jouw nabijheid iemand negatief bejegend wordt.
Tot slot: “Probeer te kijken met mededogen. Mede door de ogen van de ander. En ga elkaar echt ontmoeten. Er zijn. Dat is belangrijk.”